โ
Voorbeeldzinnen
โ โ Pijltjestoetsen om te navigeren ยท A om te luisteren
wonen
to live
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik woon in een huis.
I live in a house.
schoonmaken
to clean
๐ Grammaticanotitie
Separable verb (schoon + maken), weak, takes hebben.
Voorbeeld
Ik maak de keuken schoon.
I clean the kitchen.
koken
to cook
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik kook elke avond.
I cook every evening.
eten
to eat
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (e-ee-a-e), takes hebben.
Voorbeeld
Wij eten in de woonkamer.
We eat in the living room.
drinken
to drink
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (i-o-o), takes hebben.
Voorbeeld
Ik drink koffie in de keuken.
I drink coffee in the kitchen.
slapen
to sleep
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (a-ie-a), takes hebben.
Voorbeeld
Ik slaap in mijn slaapkamer.
I sleep in my bedroom.
zitten
to sit
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (i-a-e), takes hebben.
Voorbeeld
Wij zitten op de bank.
We are sitting on the couch.
staan
to stand
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (aa-stond-gestaan), takes hebben.
Voorbeeld
De tafel staat in de kamer.
The table stands in the room.
liggen
to lie / to be located
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (i-lag-gelegen), takes hebben.
Voorbeeld
Het boek ligt op tafel.
The book is lying on the table.
hebben
to have
๐ Grammaticanotitie
Auxiliary verb, highly irregular, takes hebben.
Voorbeeld
Ik heb een grote tuin.
I have a big garden.
zijn
to be
๐ Grammaticanotitie
Auxiliary verb, highly irregular, takes zijn.
Voorbeeld
Mijn huis is heel mooi.
My house is very pretty.
kopen
to buy
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik koop een nieuwe bank.
I am buying a new couch.
verkopen
to sell
๐ Grammaticanotitie
Weak verb with prefix ver-, takes hebben.
Voorbeeld
Hij verkoopt zijn oude huis.
He is selling his old house.
zetten
to put / to place
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik zet de tas op tafel.
I put the bag on the table.
hangen
to hang
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (a-ing-angen), takes hebben.
Voorbeeld
De jas hangt aan de kapstok.
The coat hangs on the coat rack.
wassen
to wash
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik was de borden na het eten.
I wash the plates after eating.
kijken
to look / to watch
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (ij-ie-ie), takes hebben.
Voorbeeld
Wij kijken tv in de woonkamer.
We watch TV in the living room.
luisteren
to listen
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben, uses preposition naar.
Voorbeeld
Ik luister naar muziek op mijn kamer.
I listen to music in my room.
openen
to open
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik open het raam voor frisse lucht.
I open the window for fresh air.
sluiten
to close
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (ui-o-o), takes hebben.
Voorbeeld
Ik sluit de deur van het huis.
I close the door of the house.
Training instellen
Configureer je leersessie.