โ
Voorbeeldzinnen
โ โ Pijltjestoetsen om te navigeren ยท A om te luisteren
gaan
to go
๐ Grammaticanotitie
Irregular strong verb, uses 'zijn' in the past perfect.
Voorbeeld
Ik ga naar huis.
I am going home.
komen
to come
๐ Grammaticanotitie
Irregular strong verb, uses 'zijn' in the past perfect.
Voorbeeld
Kom je naar buiten?
Are you coming outside?
lopen
to walk
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, uses 'hebben' or 'zijn' depending on context (usually 'hebben' for walking, 'zijn' for walking to a destination).
Voorbeeld
Ik loop in het park.
I am walking in the park.
rennen
to run
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, uses 'hebben' or 'zijn'.
Voorbeeld
De hond ren snel.
The dog runs fast.
rijden
to drive / to ride
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, uses 'hebben' or 'zijn'.
Voorbeeld
Ik rijd in een auto.
I drive in a car.
vliegen
to fly
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, uses 'zijn' or 'hebben'.
Voorbeeld
Het vliegtuig vlieg naar Spanje.
The airplane flies to Spain.
zwemmen
to swim
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, uses 'hebben' or 'zijn'.
Voorbeeld
Ik zwem in het zwembad.
I swim in the swimming pool.
vallen
to fall
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, uses 'zijn' in the past perfect.
Voorbeeld
De bladeren vallen van de boom.
The leaves fall from the tree.
reizen
to travel
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, uses 'hebben' or 'zijn'.
Voorbeeld
Ik reis met de trein.
I travel by train.
stappen
to step / to walk
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, uses 'hebben'.
Voorbeeld
Ik stap in de bus.
I step into the bus.
vertrekken
to leave / to depart
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, uses 'zijn' in the past perfect.
Voorbeeld
De trein vertrekt nu.
The train departs now.
aankomen
to arrive
๐ Grammaticanotitie
Separable verb ('aan-' + 'komen'), uses 'zijn' in the past perfect.
Voorbeeld
Ik kom op tijd aan.
I arrive on time.
stoppen
to stop
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, uses 'hebben' or 'zijn'.
Voorbeeld
De auto stopt voor het licht.
The car stops before the light.
draaien
to turn
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, uses 'hebben'.
Voorbeeld
Draai naar links.
Turn to the left.
oversteken
to cross
๐ Grammaticanotitie
Separable verb ('over-' + 'steken'), uses 'zijn' in the past perfect.
Voorbeeld
Wij steken de straat over.
We cross the street.
klimmen
to climb
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, uses 'hebben' or 'zijn'.
Voorbeeld
De kat klimt in de boom.
The cat climbs into the tree.
dansen
to dance
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, uses 'hebben'.
Voorbeeld
Zij dansen op het feesten.
They dance at the party.
glijden
to slide / to slip
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, uses 'hebben' or 'zijn'.
Voorbeeld
Kinderen glijden van de glijbaan.
Children slide down the slide.
springen
to jump
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, uses 'hebben' or 'zijn'.
Voorbeeld
De kikker springt in het water.
The frog jumps into the water.
ontsnappen
to escape
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, uses 'zijn'.
Voorbeeld
De hond ontsnapt uit de tuin.
The dog escapes from the garden.
Training instellen
Configureer je leersessie.