โ
Voorbeeldzinnen
โ โ Pijltjestoetsen om te navigeren ยท A om te luisteren
kopen
to buy
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik koop een appel.
I buy an apple.
betalen
to pay
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik betaal met pin.
I pay by card.
kosten
to cost
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Wat kost dit?
How much does this cost?
zoeken
to look for, to search
๐ Grammaticanotitie
Weak verb (ch/g alternation), takes hebben.
Voorbeeld
Ik zoek een trui.
I am looking for a sweater.
passen
to fit, to try on
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
De broek past goed.
The trousers fit well.
krijgen
to get, to receive
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (ei-ij-ij), takes hebben.
Voorbeeld
Ik krijg een tas.
I get a bag.
willen
to want
๐ Grammaticanotitie
Modal verb, irregular present tense, takes hebben.
Voorbeeld
Ik wil brood.
I want bread.
kunnen
to be able to, can
๐ Grammaticanotitie
Modal verb, irregular present tense, takes hebben.
Voorbeeld
Kan ik helpen?
Can I help?
verkopen
to sell
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Zij verkopen appels.
They sell apples.
kijken
to look
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (ij-ie-ie), takes hebben.
Voorbeeld
Ik kijk rond.
I look around.
helpen
to help
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (e-a-o), vowel change in present (hij helpt), takes hebben.
Voorbeeld
Kan ik u helpen?
Can I help you?
nemen
to take
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (e-oo-o), double n in plural, takes hebben.
Voorbeeld
Ik neem deze tas.
I take this bag.
meenemen
to take along, to bring
๐ Grammaticanotitie
Separable verb (mee + nemen), takes hebben.
Voorbeeld
Ik neem een tas mee.
I bring a bag along.
afrekenen
to check out, to pay
๐ Grammaticanotitie
Separable verb (af + rekenen), takes hebben.
Voorbeeld
Ik reken bij de kassa af.
I check out at the register.
hebben
to have
๐ Grammaticanotitie
Auxiliary/irregular verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik heb geld.
I have money.
zijn
to be
๐ Grammaticanotitie
Auxiliary/irregular verb, takes zijn.
Voorbeeld
De winkel is open.
The shop is open.
geven
to give
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (e-a-e), takes hebben.
Voorbeeld
Ik geef de bon.
I give the receipt.
kosten
to cost
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Die jas kost veel.
That coat costs a lot.
vinden
to find, to think (opinion)
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (i-o-o), takes hebben.
Voorbeeld
Ik vind dit mooi.
I think this is nice.
ruilen
to exchange, to swap
๐ Grammaticanotitie
Weak verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik wil dit ruilen.
I want to exchange this.
Training instellen
Configureer je leersessie.