โ
Voorbeeldzinnen
โ โ Pijltjestoetsen om te navigeren ยท A om te luisteren
ademen
to breathe
๐ Grammaticanotitie
Weak verb; takes 'hebben' in the past perfect.
Voorbeeld
Adem rustig in en uit.
Breathe calmly in and out.
hoesten
to cough
๐ Grammaticanotitie
Weak verb (stem ends in -st, no extra -t in present); takes 'hebben'.
Voorbeeld
Ik moet de hele tijd hoesten.
I have to cough all the time.
niezen
to sneeze
๐ Grammaticanotitie
Weak verb ('z' becomes 's' in stem); takes 'hebben'.
Voorbeeld
Door het stuifmeel moet ik steeds niezen.
Because of the pollen I have to sneeze constantly.
bloeden
to bleed
๐ Grammaticanotitie
Weak verb (stem ends in -d); takes 'hebben'.
Voorbeeld
Mijn vinger bloedt een beetje.
My finger is bleeding a little.
genezen
to heal / to recover
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (inseparable prefix 'ge-'); takes 'zijn' when intransitive, 'hebben' when transitive.
Voorbeeld
De wond geneest erg snel.
The wound is healing very quickly.
herstellen
to recover / to recuperate
๐ Grammaticanotitie
Weak verb (inseparable prefix 'her-'); takes 'zijn' for health recovery.
Voorbeeld
Zij herstelt goed van de operatie.
She is recovering well from the surgery.
zweten
to sweat
๐ Grammaticanotitie
Weak verb (stem ends in -t); takes 'hebben'.
Voorbeeld
Tijdens het hardlopen zweet ik veel.
During running I sweat a lot.
slikken
to swallow
๐ Grammaticanotitie
Weak verb ('t kofschip); takes 'hebben'.
Voorbeeld
Het doet pijn als ik slik.
It hurts when I swallow.
kauwen
to chew
๐ Grammaticanotitie
Weak verb; takes 'hebben'.
Voorbeeld
Je moet je eten goed kauwen.
You must chew your food well.
rusten
to rest
๐ Grammaticanotitie
Weak verb (stem ends in -t); takes 'hebben'.
Voorbeeld
De dokter zegt dat ik moet rusten.
The doctor says that I must rest.
flauwvallen
to faint
๐ Grammaticanotitie
Separable strong verb (flauw-); takes 'zijn' in the past perfect.
Voorbeeld
Door de hitte valt zij bijna flauw.
Because of the heat she almost faints.
overgeven
to vomit / to throw up
๐ Grammaticanotitie
Separable strong verb (over-); takes 'hebben'.
Voorbeeld
Het zieke kind moest vannacht overgeven.
The sick child had to throw up last night.
onderzoeken
to examine / to investigate
๐ Grammaticanotitie
Inseparable irregular verb (stress on -zoek-); no 'ge-' in past participle; takes 'hebben'.
Voorbeeld
De huisarts onderzoekt mijn rug.
The GP examines my back.
verzorgen
to care for / to treat (a wound)
๐ Grammaticanotitie
Weak verb with inseparable prefix 'ver-'; takes 'hebben'.
Voorbeeld
De verpleegkundige verzorgt de wond.
The nurse treats the wound.
voorschrijven
to prescribe
๐ Grammaticanotitie
Separable strong verb (voor-); takes 'hebben'.
Voorbeeld
De arts schrijft een nieuw medicijn voor.
The doctor prescribes a new medicine.
sporten
to exercise / to play sports
๐ Grammaticanotitie
Weak verb (stem ends in -t); takes 'hebben'.
Voorbeeld
Ik sport twee keer per week voor mijn gezondheid.
I exercise twice a week for my health.
Training instellen
Configureer je leersessie.