โ
Voorbeeldzinnen
โ โ Pijltjestoetsen om te navigeren ยท A om te luisteren
beginnen
to begin
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes zijn in the perfect tense.
Voorbeeld
De les begint om negen uur.
The lesson begins at nine o'clock.
blijven
to stay
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (ij-ee-ee), takes zijn in the perfect tense.
Voorbeeld
Ik blijf vandaag thuis omdat ik ziek ben.
I am staying home today because I am sick.
brengen
to bring
๐ Grammaticanotitie
Mixed/irregular verb, takes hebben.
Voorbeeld
Kan jij de brief naar de post brengen?
Can you bring the letter to the post office?
denken
to think
๐ Grammaticanotitie
Mixed verb, takes hebben.
Voorbeeld
Wat denk je van dit plan?
What do you think of this plan?
dragen
to wear / to carry
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes hebben.
Voorbeeld
Zij draagt vandaag een mooie rode jurk.
She is wearing a nice red dress today.
drinken
to drink
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (i-a-u), takes hebben.
Voorbeeld
Ik drink โs ochtends altijd een kop koffie.
I always drink a cup of coffee in the morning.
eten
to eat
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (e-a-e), takes hebben.
Voorbeeld
Wij eten om zes uur 's avonds.
We eat at six o'clock in the evening.
gaan
to go
๐ Grammaticanotitie
Irregular high-frequency verb, takes zijn.
Voorbeeld
Ga je vandaag naar de markt?
Are you going to the market today?
geven
to give
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes hebben.
Voorbeeld
De leraar geeft huiswerk voor de les.
The teacher gives homework for the lesson.
hebben
to have
๐ Grammaticanotitie
Auxiliary and main verb, highly irregular.
Voorbeeld
Heb jij een broer of een zus?
Do you have a brother or a sister?
helpen
to help
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes hebben.
Voorbeeld
Kun je mij even helpen met deze tas?
Can you help me for a moment with this bag?
komen
to come
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes zijn in the perfect tense.
Voorbeeld
Kom je vanavond naar het feest?
Are you coming to the party tonight?
kopen
to buy
๐ Grammaticanotitie
Mixed verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik koop fruit op de markt.
I buy fruit at the market.
krijgen
to get / to receive
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes hebben.
Voorbeeld
Wat krijg ik van jou voor mijn verjaardag?
What am I getting from you for my birthday?
lezen
to read
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes hebben.
Voorbeeld
Mijn vader leest elke avond de krant.
My father reads the newspaper every evening.
liggen
to lie / to be located
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes hebben.
Voorbeeld
De sleutels liggen op de tafel.
The keys are lying on the table.
lopen
to walk / to run
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes zijn/hebben depending on context (movement towards a goal vs general activity; usually zijn for movement with destination).
Voorbeeld
Wij lopen elke ochtend naar het werk.
We walk to work every morning.
moeten
must / to have to
๐ Grammaticanotitie
Modal verb, takes hebben.
Voorbeeld
Ik moet vandaag vroeg opstaan.
I have to get up early today.
mogen
may / to be allowed to
๐ Grammaticanotitie
Modal verb, takes hebben.
Voorbeeld
Mag ik hier uw pen gebruiken?
May I use your pen here?
nemen
to take
๐ Grammaticanotitie
Strong verb, takes hebben. Note the double 'n' in plural forms.
Voorbeeld
Ik neem de bus naar het station.
I am taking the bus to the station.
Training instellen
Configureer je leersessie.