โ
Voorbeeldzinnen
โ โ Pijltjestoetsen om te navigeren ยท A om te luisteren
brengen
to bring
๐ Grammaticanotitie
Irregular verb (stem change e-a-o), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Ik breng morgen de boeken terug.
I am bringing the books back tomorrow.
denken
to think
๐ Grammaticanotitie
Irregular verb (stem change e-a-a), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Wat denk je van dit plan?
What do you think of this plan?
doen
to do / to make
๐ Grammaticanotitie
Irregular verb (unique conjugation pattern), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Wat doe je in het weekend?
What are you doing on the weekend?
dragen
to wear / to carry
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (a-o-a), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Zij draagt vandaag een mooie rode jurk.
She is wearing a pretty red dress today.
drinken
to drink
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (i-o-u), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Wij drinken graag koffie in de ochtend.
We like to drink coffee in the morning.
ervaren
to experience
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (a-o-a), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Ik ervaar veel stress op mijn werk.
I experience a lot of stress at my work.
eten
to eat
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (ee-a-e), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Om hoe laat eten jullie 's avonds?
What time do you all eat in the evening?
gaan
to go
๐ Grammaticanotitie
Irregular verb, auxiliary verb zijn.
Voorbeeld
Waar ga je naartoe?
Where are you going to?
geven
to give
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (ee-a-e), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Geef je mij dat boek alsjeblieft?
Will you give me that book please?
hangen
to hang
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (a-o-o), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
De jas hangt in de gang.
The coat is hanging in the hallway.
helpen
to help
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (e-o-o), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Kun je mij even helpen met deze taak?
Can you help me for a moment with this task?
komen
to come
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (o-o-o), auxiliary verb zijn.
Voorbeeld
Kom je vanavond naar het feest?
Are you coming to the party tonight?
kopen
to buy
๐ Grammaticanotitie
Irregular verb (o-och-ocht), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Ik koop verse groenten op de markt.
I am buying fresh vegetables at the market.
krijgen
to get / to receive
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (ij-re-re), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Ik krijg veel e-mails op een dag.
I get a lot of emails in a day.
lezen
to read
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (ee-a-e), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Mijn zoon leest graag stripboeken.
My son likes to read comic books.
liggen
to lie / to be located
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (i-a-e), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
De sleutels liggen op de tafel.
The keys are lying on the table.
lopen
to walk / to run
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (oo-ie-oo), auxiliary verb hebben/zijn (zijn for movement to a destination).
Voorbeeld
Wij lopen elke ochtend naar het park.
We walk to the park every morning.
moeten
must / to have to
๐ Grammaticanotitie
Modal verb, auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Ik moet vandaag tot vijf uur werken.
I have to work until five o'clock today.
mogen
may / to be allowed to
๐ Grammaticanotitie
Modal verb, auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Mag ik hier mijn auto parkeren?
May I park my car here?
nemen
to take
๐ Grammaticanotitie
Strong verb (e-a-o with double n), auxiliary verb hebben.
Voorbeeld
Ik neem meestal de bus naar kantoor.
I usually take the bus to the office.
Training instellen
Configureer je leersessie.